Recent heeft onze cassatieafdeling (Bart Zandbergen en Jeroen van Weerden) een fraaie winst behaald bij de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2026:912).
Onze cliënt was bestuurder van zowel de moeder-, de dochter- als de kleindochtervennootschap. De moeder had een schuld aan een Belgische bank en de kleindochter had een schuld aan een andere buitenlandse partij. De schuld van de kleindochter volgde uit het feit dat zij aansprakelijk was voor de schuld van weer een derde partij. Nu deze aansprakelijkheid van de kleindochter het gevolg was van een advies van een bekend advocatenkantoor, had zij een daarmee corresponderende vordering op dat advocatenkantoor. Door uitvoering van dat (naar later bleek, onjuiste) advies was ook de bestuurder van de kleindochter zelf aansprakelijk.
In 2015 was besloten tot liquidatie van de moedervennootschap. De kleindochter werd nog wel going concern gehouden vanwege een mogelijk nog te innen vordering op het advocatenkantoor. De moedervennootschap heeft sindsdien zelf geen betalingen meer verricht. De bestuurder van de moedervennootschap en aan hem gelieerde entiteiten hebben daarbij circa EUR 900.000 aan vorderingen op die moedervennootschap kwijtgescholden en bovendien enkele kleine schulden van de moedervennootschap voldaan.
De kleindochtervennootschap heeft na jarenlang verweer tegen de vorderingen van de buitenlandse partij geschikt, waarbij de opbrengst van de vordering van de kleindochter op het advocatenkantoor zou worden gebruikt om volgens een overeengekomen verdeelsleutel te verdelen tussen die buitenlandse partij en de kleindochter. Vervolgens is geprocedeerd tegen het advocatenkantoor en is daarmee, na een niet-gepubliceerd veroordelend vonnis, geschikt. Een aan de bestuurder van de kleindochter gelieerde vennootschap heeft al die juridische kosten jarenlang (rentedragend) aan de kleindochter voorgeschoten. Het schikkingsbedrag was vervolgens onvoldoende om zowel de oorspronkelijke vordering van de buitenlandse partij als de schuld inzake juridische kosten aan (indirect) de bestuurder van de kleindochter te voldoen.
Volgens het hof was sprake van bestuurdersaansprakelijk jegens de bank.
Wegens deze gebeurtenissen bij de kleindochter overwoog het hof dat de bestuurder van moedervennootschap had bewerkstelligd of toegelaten dat de verplichtingen jegens de bank niet waren nagekomen. Het hof baseerde dit met name op zijn oordeel dat de bank niet was geïnformeerd over deze procedures bij de kleindochter, terwijl de bestuurder van de kleindochter wel alles in het werk stelde om zijn eigen aansprakelijkheid af te wenden.
In cassatie ging dit oordeel onderuit. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom onder meer het niet betrekken van de bank voldoende was om de drempel van ernstig verwijt te halen, zoals vereist voor externe bestuurdersaansprakelijkheid. De moedervennootschap had zelf bovendien geen betalingen verricht (die verhaal zouden hebben bemoeilijkt) en de kwijtscheldingen aan haar (en dus niet door haar) leveren (uiteraard) geen bestuurdersaansprakelijkheid op. Verder heeft de kleindochter met de schikkingen haar eigen verplichtingen (waaronder de bedragen die de aan de bestuurder gelieerde vennootschap had voorgeschoten) afgewikkeld en valt niet in te zien waarom dit een ernstig verwijt zou opleveren.
De Hoge Raad volgde het hof evenmin in zijn oordeel dat een “evenwichtige belangenbehartiging” ontbrak. Het is de Hoge Raad onduidelijk welke rechtsregel aan een dergelijke verplichting ten grondslag zou liggen. De Hoge Raad verduidelijkt dat juist wel onderscheid moet worden gemaakt tussen de verschillende groepsvennootschappen. Van schuldeisers op een gemeenschappelijk concernniveau (in plaats van op vennootschappelijk niveau) kan dan ook geen sprake zijn.
Dat spreekt volgens ons ook voor zich. Nu de kleindochtervennootschap niet garant stond voor de schulden van de moedervennootschap, diende de kleindochter haar opbrengsten allereerst aan te wenden om haar eigen schuldeisers te voldoen. Pas als er dan nog iets resteert (wat hier niet het geval was), kan die kleindochter dat restant uitkeren aan (uiteindelijk) de moedervennootschap en kan de moedervennootschap dat vervolgens aanwenden om haar eigen bankschuld mee af te lossen. Schuldenaren van verschillende groepsvennootschappen mogen daarom niet worden beschouwd als schuldenaren van eenzelfde vennootschap.