Publicaties

Hoger beroep bij een overwinning?

Geschreven door Marc van Rijswijk | 01 juni 2022

 

 

1.      INTRODUCTIE

Sommige delen van ons burgerlijk procesrecht laten zich wat lastiger doorgronden. Dit geldt vooral voor het appelprocesrecht dat technischer van aard is dan het procesrecht dat in eerste aanleg geldt. Diverse uitspraken leren dat het nogal eens fout gaat.[1] In de onderhavige procedure werd het hoger beroep bij het hof ’s-Hertogenbosch afgewezen omdat appellante ten onrechte een belang bij haar beroep dacht te hebben.[2] Appellante ging vervolgens tegen onder andere dit oordeel tevergeefs in cassatie. Wat was er aan de hand?

2.      NEDERLANDS PROCESRECHT

Een projectontwikkelaar (in de uitspraak aangeduid als [eiseres] B.V.) had een perceel gekocht om daarop een appartementencomplex te bouwen. Op de begane grond zou zij een winkelruimte realiseren. De koopsom van het perceel werd door partijen voorlopig vastgesteld op € 50.000. De projectontwikkelaar zou de koopsom voldoen door de winkelruimte met het bijbehorende appartementsrecht aan de verkopers te leveren. De koopsom gold alleen als een aantal uitgangspunten stand zou houden. Zo niet, dan zou het verschil tussen de projectontwikkelaar en de verkopers worden gedeeld. Toen het appartementencomplex en de winkelruimte gerealiseerd waren, stelde de projectontwikkelaar zich op het standpunt dat diverse posten minder gunstig waren uitgevallen dan begroot. De projectontwikkelaar meende op grond daarvan een opeisbare vordering op de verkopers te hebben en schortte haar leveringsverplichting op. Ondertussen werd de winkelruimte verhuurd en spraken de verkopers en de projectontwikkelaar met elkaar af dat zij ook de huuropbrengsten onderling zouden delen. Verkopers stelden zich op het standpunt dat juist zij een vordering op de projectontwikkelaar hadden en stapten naar de rechter. Kort gezegd vorderden zij veroordeling tot levering van het appartementsrecht en betaling. De rechtbank komt in haar rechtsoverweging tot een concrete berekening van de vordering van de projectontwikkelaar en de conclusie dat zij inderdaad per saldo een vordering op de verkopers heeft. Haar opschortingsrecht wordt gehonoreerd en de vorderingen van de verkopers worden op die grond afgewezen. De projectontwikkelaar kon zich niet met de berekening van de rechtbank verenigen. Volgens haar had zij per saldo meer van verkopers te vorderen. De projectontwikkelaar gaat in hoger beroep en vordert onder andere dat de vorderingen van de verkopers onder verbetering van de gronden nogmaals worden afgewezen. Het hof wijst het hoger beroep af wegens onvoldoende belang. Het hof oordeelt namelijk dat niet was bestreden dat het dictum ongewijzigd zou blijven, ook indien de grieven tegen de rechtsoverweging met de berekening zouden slagen. Onder andere tegen dit oordeel gaat de projectontwikkelaar in cassatie.

‘Zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe’, zo luidt art. 3:303 BW. Voldoende belang moet ook aanwezig zijn bij het instellen van hoger beroep.[3] Voldoende belang is in beginsel aanwezig wanneer een appellant opkomt tegen een hem onwelgevallig dictum van een rechterlijke uitspraak. Blijft (tijdig) hoger beroep uit, dan gaat de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde en hebben de beslispunten tussen dezelfde partijen ex art. 236 lid 1 Rv in beginsel gezag van gewijsde.

Volgens de projectontwikkelaar had zij wel degelijk voldoende belang bij een verbetering van de gronden. Aan de (te lage) berekening van de rechtbank zou volgens haar immers gezag van gewijsde toekomen. Ook meende de projectontwikkelaar voldoende belang te hebben bij een verbetering van de gronden omdat zij afhankelijk van die berekening zich langer op haar opschortingsrecht kon beroepen. Na verloop van tijd zou de vordering van verkopers ter zake van het delen van de huurpenningen namelijk de tegenvordering van de projectontwikkelaar ontstijgen. Vanaf dat moment zou de projectontwikkelaar geen opschortingsrecht meer hebben en dus moeten leveren. De vraag die bij de Hoge Raad ter beantwoording voorlag, was of de projectontwikkelaar inderdaad voldoende belang bij dit hoger beroep had.

De Hoge Raad beantwoordt deze vraag aan de hand van het leerstuk van het gezag van gewijsde. Op grond van het gezag van gewijsde worden geschilpunten in een procedure tussen dezelfde partijen in beginsel definitief beslecht. De reikwijdte van het gezag van gewijsde is beperkt tot ‘(...) de elementen van de rechterlijke uitspraak die de in art. 236 lid 1 Rv bedoelde bindende kracht in een ander geding hebben’.[4] Volgens art. 236 lid 1 Rv gaat het daarbij om: ‘Beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis (...)’. De ‘rechtsbetrekking in geschil’ ziet op de rechtsverhouding die door de procespartijen in het processuele debat aan de orde is gesteld.[5] Het gezag van gewijsde wordt daarmee in beginsel beperkt door de omvang van de rechtsstrijd die partijen hebben bepaald.

Het voorgaande betekent dat het gezag van gewijsde niet beperkt is tot het dictum, maar zich ook uitstrekt tot beslissingen in de uitspraak die dragend zijn voor het dictum.[6] Aan niet-dragende, ten overvloede gegeven beslissingen (zogenoemde obiter dictum-beslissingen) komt geen gezag van gewijsde toe.[7] Bovendien komt geen gezag van gewijsde toe aan zuivere feitelijke beslissingen en zuivere beslissingen over objectief recht.[8] Dit is reeds geruime tijd vaste rechtspraak.[9]

Nu het gezag van gewijsde niet tot het dictum is beperkt, is in het geschil tussen de projectontwikkelaar en de verkopers de vraag relevant of de berekening van de rechtbank een beslissing omvat die dragend is voor het dictum. Indien een procespartij zich immers niet in een rechtsoverweging kan vinden die dragend is voor het dictum, dan is het voldoende belang van die procespartij bij hoger beroep in beginsel aanwezig. Dat het dictum reeds in haar voordeel is, doet daar niets aan af.[10]

Bij een beslissing die dragend is voor het dictum gaat het om een beslissing die moet worden genomen voordat over het uiteindelijk gevorderde kan worden beslist.[11] Een voorbeeld in dit kader geeft het arrest Terra Nova/Shinn Fu van de Hoge Raad.[12] Terra Nova vorderde bij de kantonrechter een verklaring voor recht dat er tussen partijen voor de duur van primair vijf en subsidiair drie jaar een nieuwe huurovereenkomst voor bepaalde tijd was overeengekomen. In een vonnis van 7 maart 2007 wees de kantonrechter de vordering af. De kantonrechter gaf daarbij in een rechtsoverweging aan dat sprake was van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het vonnis ging in kracht van gewijsde. Terra Nova startte vervolgens een nieuwe procedure waarin zij achterstallige huur vorderde. Ook deze vordering werd afgewezen. De kantonrechter oordeelde ditmaal dat aan de rechtsoverweging uit het eerdere vonnis dat sprake was van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd weliswaar gezag van gewijsde toekwam, maar dat de huurovereenkomst inmiddels door opzegging was geëindigd. Terra Nova ging in hoger beroep en beriep zich wederom op de betreffende rechtsoverweging uit het vonnis van 7 maart 2007. Het hof oordeelde echter dat deze rechtsoverweging niet dragend was voor het dictum uit het vonnis van 7 maart 2007. De vraag of sprake was van een overeenkomst voor onbepaalde tijd lag volgens het hof nog open. De Hoge Raad achtte vervolgens dit kennelijke oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.[13]

Terug naar de projectontwikkelaar en de verkopers. Daar was de rechtsstrijd beperkt tot het antwoord op de vraag of (i) de projectontwikkelaar het appartementsrecht diende te leveren en een geldsom aan verkopers diende te betalen, dan wel (ii) de projectontwikkelaar per saldo een tegenvordering had en (dus) gerechtigd was de levering van het appartementsrecht op te schorten. De hoogte van de vordering van de projectontwikkelaar op de verkopers maakte geen onderdeel uit van de rechtsstrijd tussen partijen. De projectontwikkelaar had ter zake daarvan immers geen eis in reconventie ingesteld. Desondanks nam de rechtbank wel een concrete berekening van de hoogte van de vordering op in een rechtsoverweging van haar vonnis. Aan de hand van haar berekening komt de rechtbank tot het oordeel dat de projectontwikkelaar degene is die – per saldo – een vordering op de verkopers heeft en op die grond wijst zij de vorderingen van de verkopers af. De concrete berekening van de rechtbank was geen dragende beslissing voor deze afwijzing. De conclusie dat de projectontwikkelaar per saldo een vordering had op verkopers wel.

Het hof komt daarom tot de conclusie dat de projectontwikkelaar geen belang heeft bij een beroep tegen de concrete berekening van de rechtbank. Toewijzing van de betreffende grieven kan immers geen wijziging brengen in het dictum.[14] De Hoge Raad sanctioneert dit oordeel. Volgens de Hoge Raad berust ‘De afwijzing van de vorderingen van [de verkopers] (...) niet mede op de verwerping door de rechtbank van stellingen van [de projectontwikkelaar] (...) die ertoe strekken dat [haar] (...) vordering op [verkopers] (...) groter is dan de rechtbank heeft aangenomen’. Dit betekent volgens de Hoge Raad dat de beslissingen van de rechtbank over de hoogte van de vordering, voor zover in het nadeel van de projectontwikkelaar is beslist, ‘in een ander geding tussen dezelfde partijen geen bindende kracht hebben (art. 236 lid 1 Rv).’[15] Overigens geldt dat onzes inziens ook voor voordelige beslissingen.

Al met al een belangrijke les voor het juist toepassen van het appelprocesrecht. Het incidentele cassatieberoep van verkopers slaagde overigens wel (de Hoge Raad ging contrair). Na cassatie en verwijzing dient wederom te worden beoordeeld of de projectontwikkelaar, ter rechtvaardiging van het voortduren van haar opschorting, per saldo nog een vordering op verkopers heeft. Daarbij moet uiteraard in acht worden genomen dat de vordering van verkopers op de projectontwikkelaar met betrekking tot de helft van de huurpenningen verder zal zijn opgelopen. Via de devolutieve werking van het hoger beroep zullen daarbij ook de stellingen van de projectontwikkelaar met betrekking tot haar tegenvordering opnieuw beoordeeld moeten worden. Zodoende verkrijgt de projectontwikkelaar via het hoger beroep van de verkopers dan alsnog de door haar gewenste herbeoordeling. Haar grieven zullen in deze herbeoordeling echter niet kunnen worden betrokken.

3. JURIDISCHE BIJSTAND IN HOGER BEROEP PROCEDURES

Het is van het grootste belang dat in hoger beroep procedures juist wordt geprocedeerd. Dit geldt overigens ook voor procedures in eerste aanleg. Niet alleen kunnen hierdoor fouten worden voorkomen (en dus onnodige juridische kosten), ook kan diepgaande kennis van procesrecht kansen opleveren.

*****

[1] Zie bijv. HR 25 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:96, ter zake van de ‘één-keer-schieten-regel’ en HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:61 (Dingemans q.q. c.s./Banning c.s.), inzake de risico’s als besloten wordt niet incidenteel tegen tussenvonnissen te appelleren.

[2] Hof ’s-Hertogenbosch 7 mei 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1687.

[3] V.C.A. Lindijer, De goede procesorde. Een onderzoek naar de betekenis van de goede procesorde als normatief begrip in het burgerlijk procesrecht (Burgerlijk Proces & Praktijk nr. IV) (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2006/9.5.3.2.

[4] P. de Bruin, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 236 Rv, aant. 5, in: P. Vlas & T.F.E. Tjong Tjin Tai (red.), Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Wolters Kluwer.

[5] P. de Bruin, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 236 Rv, aant. 5.2, in: P. Vlas & T.F.E. Tjong Tjin Tai (red.), Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Wolters Kluwer.

[6] Zie HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099 (IV-Groep/Zwitserleven) en A.I.M. van Mierlo & J.H. van Dam-Lely, Procederen bij dagvaarding in eerste aanleg (Burgerlijk Proces & Praktijk nr. 1), Deventer: Kluwer 2011/11.4.1.

[7] Vgl. HR 20 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4740, NJ 1987/295.

[8] N.E. Groeneveld-Tijssens, De verklaring voor recht (diss. Tilburg University), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 69.

[9] Zie bijvoorbeeld HR 15 mei 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC4156, NJ 1988/164, m.nt. W.H. Heemskerk (Van Huffel/Van den Hoek) en HR 27 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0356, NJB 2013/1395.

[10] R.L. Bakels, ‘Gezag van gewijsde van het vonnis’, in: A.W. Jongbloed & A.L.H. Ernes, Burgerlijk procesrecht praktisch belicht, Deventer: Kluwer 2014/11.14.

[11] N.E. Groeneveld-Tijssens, De verklaring voor recht (diss. Tilburg University), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 69.

[12] HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9869, NJ 2012/588 (Terra Nova/Shinn Fu).

[13] HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9869, r.o. 3.5, NJ 2012/588 (Terra Nova/Shinn Fu).

[14] Zie hof ’s-Hertogenbosch 7 mei 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1687, r.o. 3.6.

[15] HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1779, r.o. 3.1.3., NJB 2021/3179.