Nieuws
5 minuten leestijd
Enquêterecht verdiept, editie 2: Wie is bevoegd voor een enquêteverzoek bij een stichting?
-
Marc van Rijswijk
- advocaat | partner
-
Sina Wulder
- advocaat
Inleiding
Sinds 1994 behandelt de Ondernemingskamer (OK) ook enquêteverzoeken die betrekking hebben op stichtingen. Dit geldt echter niet voor alle stichtingen, maar alleen voor stichtingen die een onderneming in stand houden waarvoor op grond van de wet een ondernemingsraad verplicht is.
Bij een BV of NV zijn vaak meerdere organen en belanghebbenden betrokken die bevoegd kunnen zijn om een enquêteverzoek in te dienen. Bij stichtingen is die kring meestal veel beperkter. Een stichting bestaat immers vaak uitsluitend uit een bestuur.
In deze blog gaan we in op de vraag: wie is bij een stichting bevoegd om een enquêteverzoek bij de Ondernemingskamer in te dienen?
1. Conflicten binnen een stichting
Hoewel een stichting doorgaans een beperkte governance-structuur kent, kunnen interne conflicten zich wel degelijk voordoen. In de praktijk ontstaan geschillen vaak binnen het bestuur of, indien aanwezig, de raad van commissarissen (RvC). Daarnaast kunnen deze organen onderling van mening verschillen over het beleid of de gang van zaken.
Daar blijft het niet bij. Denk bijvoorbeeld aan conflicten tussen het bestuur en de ondernemingsraad, of tussen het bestuur en belanghebbendenvertegenwoordigers, zoals bij stichtingen die actief zijn in de zorgsector.
Een complicerende factor is dat een stichting geen ledenvergadering of aandeelhoudersvergadering heeft die snel kan ingrijpen bij interne geschillen, bijvoorbeeld door het schorsen of ontslaan van functionarissen en het benoemen van nieuwe. De stichting en haar organen zijn bij conflicten dus grotendeels op zichzelf aangewezen om tot een oplossing te komen – en dat is vaak makkelijker gezegd dan gedaan. Een procedure bij de OK kan dan uitkomst bieden, maar dan moet een stichting wel aan een aantal vereisten voldoen.
2. Vereisten: (i) het mede in stand houden van een onderneming en (ii) een verplichte ondernemingsraad
Allereerst moet worden vastgesteld of de stichting een onderneming in stand houdt. Let op: de wet spreekt expliciet van ‘mede in stand houdt’. Dit betekent dat een stichting ook in samenhang met een andere rechtspersoon aan deze eis kan voldoen. Een voorbeeld is de Meavita-beschikking, waarin het concern bestond uit meerdere rechtspersonen, waaronder stichtingen.[1]
Voor de vraag wanneer sprake is van een ‘onderneming’ heeft de wetgever aangesloten bij de definitie uit de Wet op de ondernemingsraden (WOR): ‘een in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredende organisatie waarin krachtens arbeidsovereenkomst arbeid wordt verricht’. Winststreven is dus geen vereiste. Ook non-profitinstellingen, zoals zorg- of onderwijsinstellingen, kunnen een onderneming (mede) in stand houden, mits zij personeel in dienst hebben en als zelfstandige organisatie opereren.
Vervolgens moet worden vastgesteld of de stichting een onderneming in stand houdt waarvoor een ondernemingsraad verplicht is. De wetgever heeft hier bewust voor gekozen om de reikwijdte van de enquêteprocedure te begrenzen. Een algehele uitbreiding naar alle stichtingen werd als te verstrekkend en onpraktisch beschouwd, gezien het grote aantal organisaties zonder bedrijfsmatig karakter. Bovendien wilde de wetgever lichtvaardige enquêteverzoeken en rechtsonzekerheid voorkomen.
Door aan te sluiten bij het WOR-criterium – een onderneming waarin in de regel ten minste vijftig personen werkzaam zijn – wordt verzekerd dat alleen organisaties met een zekere omvang en bedrijfsmatige structuur onder het enquêterecht vallen. Zie artikel 2 lid 1 WOR. Dit achtte de wetgever passend, omdat de belangen van werknemers en de noodzaak van continuïteit in dergelijke organisaties vergelijkbaar zijn met commerciële ondernemingen. Toetsing aan beginselen van behoorlijk ondernemerschap is daarom gerechtvaardigd.
3. Wie kan namens een stichting een enquêteverzoek indienen?
Op het eerste gezicht lijkt het door de gesloten structuur van een stichting alsof slechts een zeer beperkte groep bevoegd is om een enquêteverzoek in te dienen. In werkelijkheid is deze kring groter dan vaak wordt gedacht.
Allereerst kan de stichting zelf een verzoek indienen (art. 2:346 lid 1 sub e BW). Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij een patstelling tussen bestuur en de RvC, (onmogelijk geworden) besluitvorming of omdat functionarissen binnen het bestuur of de RvC niet met elkaar overweg kunnen.
Belangrijk om te weten: ook een gedeelte van het bestuur kan de stichting vertegenwoordigen bij het indienen van een enquêteverzoek, zelfs zonder een rechtsgeldig bestuursbesluit.[2] Voorwaarde is wel dat dit deel van het bestuur vertegenwoordigingsbevoegd is. Een bestuurder die de stichting alleen gezamenlijk met een andere bestuurder mag vertegenwoordigen, is dus niet-ontvankelijk wanneer hij het verzoek zelfstandig indient.[3] Dit komt omdat het indienen van een verzoek wordt aangemerkt als een vertegenwoordigingshandeling.
Een bestuursbesluit is dus niet vereist. Zelfs als de statuten een besluit voorschrijven, tast dat in beginsel de vertegenwoordigingsbevoegdheid niet aan. Dit geldt ook voor andere interne vereisten. Goedkeuringsvereisten van bijvoorbeeld de RvC staan een dergelijk verzoek niet in de weg (zie art. 2:292 lid 3 BW).
Interessant is dat andere bestuurders die het niet eens zijn met het verzoek, eveneens bevoegd kunnen zijn om namens de stichting het verzoek weer in te trekken. De Ondernemingskamer kan er echter voor kiezen het verzoek toch te behandelen, juist omdat dergelijke tegenstrijdige handelingen illustratief kunnen zijn voor de gang van zaken binnen de rechtspersoon. Zie bijvoorbeeld de Machinefabriek Heerlen-beschikking.[4]
Ook de RvC kan een enquêteverzoek indienen (art. 2:346 lid 2 BW). Het belangrijkste verschil met het bestuur is dat hiervoor wél een meerderheid van de RvC moet instemmen met een besluit om het verzoek te doen.[5] Dit komt doordat RvC-leden, anders dan bestuurders, niet zelfstandig bevoegd zijn om de stichting te vertegenwoordigen.
Van belang daarbij is dat lid 2 van artikel 2:346 BW ruim moet worden uitgelegd. Het gaat om ieder toezichthoudend orgaan dat bij of krachtens de statuten is ingesteld. Een orgaan dat niet expliciet het label ‘RvC’ draagt, kan dus ook onder deze bepaling vallen en bevoegd zijn om een verzoek in te dienen. Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan de ‘klassieke’ raad van toezicht (RvT) of een raad van advies die eigenlijk vooral toezichthoudend is.
Daarnaast kan de stichting in haar statuten de bevoegdheid tot het doen van een enquêteverzoek uitbreiden naar andere personen of entiteiten. Dit kan ook contractueel worden vastgelegd tussen de stichting en derden (art. 2:346 lid 1 sub f BW). Vaak gebeurt dit bij oprichters die geen bestuurder meer zijn, of bij stichtingen die sterk afhankelijk zijn van grote donateurs of subsidies. Voor deze partijen kan het een belangrijke waarborg zijn dat zij kunnen ingrijpen wanneer middelen niet correct worden aangewend of functioneren van de stichting tot een stilstand komt. Ook kan dit in het belang van de stichting zijn: bij een volledige patstelling binnen de organisatie kan een externe partij ingrijpen.
Verder geldt een standaardlijst van bevoegde partijen, vergelijkbaar met BV’s en NV’s:
- de curator, wanneer de stichting in faillissement verkeert (art. 2:346 lid 3 BW).
- een werknemersorganisatie (art. 2:347 BW); en
- de advocaat-generaal bij het gerechtshof Amsterdam (art. 2:345 lid 2 BW), indien sprake is van redenen van openbaar belang.
Daarnaast bestaat specifieke wetgeving voor stichtingen in bepaalde sectoren, zoals pensioenfondsen. In die gevallen is in de betreffende wet, bijvoorbeeld art. 219 Pensioenwet, geregeld wie bevoegd is om een enquêteverzoek te doen.
En hoe zit het met overige belanghebbenden? Voorlopig vallen zij buiten de boot. Ook de ondernemingsraad heeft geen bevoegdheid om een enquêteverzoek in te dienen (tenzij dus expliciet in de statuten dat recht is toegekend). Dit betekent echter niet dat er geen andere middelen openstaan, zoals het ontslag van een bestuurder of RvC-lid op grond van art. 2:298 BW.
4. Conclusie
Bij een stichting kunnen verschillende organen en individuen een enquêteverzoek indienen, zeker wanneer de groep enquêtegerechtigden statutair of contractueel is uitgebreid. Toch blijft de hoeveelheid verzoeken ten opzichte van bijvoorbeeld de BV en NV laag. Dit komt mede door (i) de afwezigheid van aandeelhouders en (ii) de beperkte groep aan stichtingen die daadwerkelijk binnen de reikwijdte van het enquêterecht vallen. Zeker ook zonder de statutaire of contractuele uitbreiding zullen veel betrokkenen, behoudens enkele andere wettelijke mogelijkheden, niet anders kunnen dan van de zijlijn toekijken als intern problemen ontstaan.
[1] OK 14 april 2010, JOR 2010/185, r.o. 3.4 (Meavita).
[2] Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 16 en 29; OK 10 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3730, r.o. 3.8 (Charterhaven Oosterdok).
[3] OK 17 december 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3438, r.o. 3.2 e.v.
[4] OK 4 april 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1088, r.o. 3.3 (Machinefabriek Heerlen).
[5] Handelingen II 2011/12, 32887, 71, p. 48.